wtorek, 19 lutego 2013

Test 1 (poziom A2)

Test - gramatyka 

Veel succes! 
Rozwiązanie pojawi się wkrótce w zakładce ODPOWIEDZI

1. Wypełnij formularz.

Achternaam:
Voornaam:
Straat:
Huisnummer:
Postcode:
Plaats:
Telefoonnummer:
Geboortedatum:
Geboorteplaats:
Geslacht:
Nationaliteit:

Handtekening:


2. Odpowiedz na pytania, pełnymi zdaniami.

Waar woon je?


Wat vind je leuk?


Heb je broers en/of zussen?


Hoe laat ben jij s'avonds thuis van het werk?


3. Chcesz się umówić na wizytê z doktorem Den Boss. 
   Dzwonisz do poradni. Uzupełnij brakujące zdania.

- Goedemorgen, met de assistente van dokter Den Boss.
- ..................................................
- Wat is uw geboortedatum?
- ........
- Mag ik vragen wat er aan de hand is?
- ..................................................
- Hebt u dat al lang?
- ..........................
- Kunt u vanmiddag om 14.00 uur?
- ..........................
- Nee, sorry, s'ochtends is er geen plaats meer want het is heel druk vandaag.
- ..................................................
- Sterkte!
- .............................


4. Uzupełnij (dit, dat, deze, die, daar, hier) 

... broodjes zijn lekker, maar ... broodjes zijn het lekkerst.
... ei is hard en ... ei is zacht.
Ken jij ... hotel daar?
... voorgerecht is duurder dan ... voorgerecht.
... tomaten zijn verser dan ... tomaten.
... vrouw praat goed Nederlands.
Dit huis staat ... op een mooie plek.
Die meloenen ... zijn nog niet rijp.


5. Uzupełnij zdania odpowiednimi czasownikami modalnymi: 

moeten, mogen, kunnen, willen, zullen, niet hoeven te.

Hier ... je stoppen.
Hier ... je niet roken.
... we naar de bioscoop gaan?
Je ... het water niet drinken.
Je ... hier niet eten en drinken.
Hier ... je informatie krijen.
Anna ... helaas niet komen.
Ik ... vandaag naar de gemeente gaan!
Je ... niet in de tuin te werken. Je ... doen wat je wilt.
Ik ... de volgende keer mijn huiswerk maken.
Hij ... veel geld verdienen, maar het kan niet.
Volgend jaar ... de mensen minder gaan verdienen.



6. Uzupełnij. Stopniowanie przymiotników. (koud-kouder-koudst)

Anna is lang maar Gosia is ...
Engels is moeilijk maar Nederlands is ...
Utrecht is ver maar Amsterdam is ...
De zee is vandaag rustig, maar gisteren was ...
Duits is ....... (makkelijk) dan Nederlands, maar Pools is het ....
In Polen zijn ........ (weinig) Moslims dan in Nederland.
Hij gaat graag naar Spanje maar ik ga ... (graag) naar Portugal.
Jan is een ... (goed) speler dan Karol.

Brak komentarzy:

Prześlij komentarz