niedziela, 17 marca 2013

Test 4 (poziom A2)



1. Uzupełnij dialog właściwymi słówkami


  afspraak, jou, leuk, met, tot
  sorry, gezellig 


Dzwonisz do kolegi, odbiera telefon...
 
Jasper:    Met Jasper.
Jij:          Hoi Jasper. ... Kamila.
Jasper:    Hé, Kamila, wat ...... dat je belt. Hoe is het met je?
Jij:           Heel goed. En hoe is het met .... ?
Jasper:    Ook goed.
Jij:           Zullen we snel iets (jakoś) afspreken ?
Jasper:    Ja, ........... . Kun jij vrijdagavond?
Jij:          Nee, ........, dan heb ik al een ............  .
               Ik kan wel zaterdagavond om acht uur.
Jasper:    Dan kan ik ook.
Jij:          Waar zullen we afspreken? (Gdzie się umówimy)
Jasper:    In het cafe Maas?
Jij:          Dat is goed. ...... zaterdag!
Jasper:   Oke, Tot dan! (do zobaczenia zatem)
 

2. Uzupełnij zaimki względne ‘die’ lub ‘dat’ (który/a/e)

a) Het meisje, ... mij groette, is een kennis van me.
b) Die man, ... daar staat, is je buurman?
c)  Het boek, ... op tafel ligt, is van jou?
d) De auto, ... hij gisteren gekocht heeft, is al kapot.
e) Het brood, ... ik vanochtend uit de winkel gahaald heb, is niet lekker. 


3.  Ustal właściwą kolejność od 1 do 8
     Dialog w sklepie.

Zegt u het maar. -
Wie is er aan de beurt? -
Anders nog iets? -
Ik wil graag een halve kilo rundvlees. -
Doe ermaar vier. -
Ik. -
Hoeveel wilt u er? -
Ja, graag nog wat van die pikante worstjes. - 



4. Wybierz pasujące zdanie

  
a) Ik leer Nederlands.             
   1- Ik ben bezig  2 - Ik ben klaar met Nederlands

b) Ik heb Nederlands geleerd.
    1 - Ik spreek Nederlands  2- Ik spreek geen Nederlands

c)  Ik heb het druk gehad.
     1 - Ik heb veel te doen 2 - Ik heb het nu niet druk meer

d) Ik heb het druk.
    1 - Ik heb veel gedaan  2- Ik heb veel te doen

2 komentarze: